Wat is naïeve kunst?

Er bestaat niet één omschrijving. Er zijn geen stilistische regels of formele normen waaraan ze moet voldoen. Ondanks de vele gradaties, tussenvormen en overlappingen met de kunst van outsiders, is er een aantal overeenkomsten aan te wijzen binnen de omvangrijke wereld van de naïeve kunst. Deze overeenkomsten hebben meestal meer betrekking op de kunstenaar en zijn achtergrond dan op de werken zelf. Daarbij valt nog op te merken dat het makkelijker is om te zeggen wat naïeve kunst niet is dan wat zij wel is. De naïeve kunstenaar heeft dus in de meeste gevallen geen kunstopleiding genoten en is niet op de hoogte of maakt geen gebruik van de regels van deze opleidingen of de regels van het perspectief. Naïeve kunst komt wereldwijd voor maar valt buiten historische of stilistische categorieën. Bovendien maakt de kunstenaar geen chronologische ontwikkeling door in zijn werken. In tegenstelling tot de snelle opeenvolging van modes en stijlen binnen de kunsthistorie, is de kunst van de naïeve kunstenaar een constant en stabiel element in de beeldende kunst.

Het werk van de naïeve schilder bevat geen emotionele reflex op de werkelijkheid, maar geeft een verslag van wat zich op een afstand van de beschouwen en buiten de beschouwen om, voltrekt.


Wat is naïeve kunst dan wel?

Allereerst is het een individuele kunst, het komt voort uit de kunstenaar zelf en is het product van een persoonlijke belevingswereld. Inspiratie haalt de kunstenaar uit zijn directe omgeving, uit zijn dromen, ervaringen of herinneringen. Hij kijkt op geheel onbevangen wijze naar zijn onderwerp, niet gehinderd door enige conventies op het gebied van kleurgebruik of ruimtebeleving. Vaak is er geen gebruik gemaakt van perspectief en zijn er geen schaduwen aangebracht. De kunstenaar probeert ook niet om de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weer te geven, maar voegt er zijn eigen gevoel en emotie aan toe, zodat er een verschil ontstaat tussen de werkelijkheid en de afbeelding. De belevingswereld van de kunstenaar zelf is dus onmisbaar, maar de kunstenaar moet deze wel op een overtuigende wijze weer weten te geven. Wil de naïeve kunstenaar zijn originaliteit en spontaniteit behouden, dan dient hij niet te kijken naar andere kunstenaars of voorbeelden of stilistische elementen te imiteren. De voorstellingen zijn veelal ongekunsteld, eenvoudig en direct. Het gebruik van sprekende kleuren en een geordende compositie geven blijk van een optimistische kijk op het leven en de omgeving. Technisch en formeel kent de naïeve kunstenaar geen beperkingen in het schilderen. Het schilderen mag geen vaardigheid of routine worden, omdat dit dodelijk is voor de spontaniteit. Wel blijft het handschrift van een bepaalde kunstenaar meestal herkenbaar, hij weet zijn identiteit te behouden. De naïeve kunstenaar is per slot van rekening een individu, die middels zijn kunst op een geheel eigen wijze, ons een deel van zijn belevingswereld prijsgeeft. Derhalve is het bijna niet mogelijk om een sluitende definitie van de term 'naïeve kunst' te geven. De hierboven genoemde kenmerken zijn slechts bedoeld om als referentiekader te dienen bij het bekijken van naïeve kunst, het zijn zeker niet `de' voorwaarden waaraan

BRON: Naïeve Galerie Roodetoren4 Zutphen 1998
Naïve Kunst. Begrenzing en begripsbepaling

Sinds de Renaissance is de Griekse opvatting van de beeldende kunst weer actueel geworden. Dat wil zeggen dat dan uitsluitend weer die uitingen als kunstzinnig worden beschouwd die geheel overeenkomstig de zichtbare werkelijkheid zijn. Deze opvatting eiste van de kunstenaars voortaan een precieze navolging van de natuur. Hiertoe waren een exacte kennis en een juiste toepassing van technieken nodig. Sinds de 16e eeuw nu bestond hiervoor een nieuw soort instelling: de Academie. Daar werden zes vaardigheden onderwezen: illusie van ruimte, suggestie van plasticiteit en volume, stofuitdrukking, juiste weergave van details, anatomie en weergave van de kleuren die de dingen in werkelijkheid hebben. De heerschappij van de Academie werd op een gegeven ogenblik zo groot dat deze hulpmiddelen de grondbeginselen van de gehele westerse kunst werden. Dat wil zeggen: officieel werd slechts de kunstvorm geaccepteerd die gebaseerd was op kennis van de natuur en op de vaardige toepassing daarvan. Wat vóór de Renaissance proefondervindelijk en intuïtief ontstaan was, werd voortaan om het gebrek aan een naturalistische voorstellingswijze van de hand gewezen.

De nieuwe kunstbeoefening bracht met zich mee dat schilders en beeldhouwers die niet in staat of in de gelegenheid waren de nieuwe regels van de kunst te leren als 'onkundig' achterop raakten en spoedig geheel uit het oog werden verloren. Kortom: sinds de beeldende kunst tot het domein van de Academie is gaan behoren en daarmee voor een qrootdeels een kwestie van kennis was geworden, heeft de beoefening ervan zich vanuit het volk naar een intellectualistische bovenlaag verplaatst.

Toch is onder het volk wel degelijk een kunstbeoefening blijven voortbestaan. Door de academische elite werd deze echter als dilettantisme genegeerd. 1 n de kunst van het volk ontbraken immers de voorwaarden die door de academische en dus gangbare opvattingen aan de kunst werden gesteld.

Ïn plaats van de voorstellingswijze die op kennis van de natuur was gebaseerd zag men in de schilderkunst van het volk inderdaad een wijze van voorstellen vanuit een gevoelsmatige benadering van de natuur, waarbij de kleurtoepassing dan ook intuïtief en het vormgebruik proefondervindelijk was. En dit was in strijd met de heersende naturalistische opvattingen.

Wat vóór de Griekse beschaving en vóór het Renaissance bestaan had en wat in de laatste vier eeuwen primitieve of naïeve kunst was gaan heten: de kunst van de zogenaamde natuurvolken, de archaïsch-Griekse kunst, de byzantijnse, Romaanse en gotische kunst, - kortom alle kunstvormen die in de ogen van de academisch gedisciplineerde kunstenaars onbeholpen en onkundig leken bleken zich als onderstroom van de officiële kunst te hebben gehandhaafd.

Het heeft enige tijd geduurd voordat deze werd opgemerkt, en wel tot ca. 1900 toen de schilderkunst vaneen Parijse douanebeambte werd ontdekt, de later als naïeve schilder beroemd geworden Rousseau le Douanier. Het is niet toevallig dat dit gebeurde door de avant-garde kunstenaars rond 1 900 met Picasso als hun leider. Zij hadden zich immers voor het eerst volledig van de officiële kunst verwijderd door zich aan de academische discipline te onttrekken. Sinds de ontdekking van Rousseau Ie Douanier behoort de naive schilderkunst officieel tot het domein van de kunst der 20e eeuw. De laatste jaren is zelfs sprake van een zeer grote belangstelling voor de naïeve schilders. Zij worden niet meer als dilettanten gezien. Waar vroeger nog goedmoedig, vriendelijk en zelfs neerbuigend over hen werd gesproken, worden zij thans als echte schilders beschouwd.

Nadat vier eeuwen lang de heerschappij van het academisch naturalisme ons ervan heeft weerhouden om in de naïeve kunst iets anders te zien dan een afwijking van de officiële kunst: een schilderkunst met gebreken, geldt de naïeve kunst op het ogenblik als een zelfstandige en eigenwaardige kunstvorm. Laten we proberen in het kort het zelfstandige en eigenwaardige karakter van deze kunstvorm nader te definiëren, door te zoeken naar het onderscheid met twee andere kunst-vormen: de amateuristische en de professionele schilderkunst. Wat het onderscheid met het werk van de amateur-schilder betreft hebben we in de eerste plaats te maken met een verschil in benadering van de zichtbare werkelijkheid. Waar de amateur-schilder de natuur en de dingen daarin, benadert vanuit een intellectualistische zienswijze - een manier van kijken dus, die gericht wordt door kennis van de dingen en door inzicht in kwesties als perspectief en anatomie - daar heeft de naïeve schilder een gevoelsmatige benaderingswijze, waarbij niet de kennis, maar de intuïtie bepalend is.

Dit houdt in dat de amateur-schilder onder het werk over aangeleerde regels kan beschikken, kan putten uit het besef van compositorische en coloristische grondbeginselen. De toepassing van de juiste regels van de kunst en de ervaring dat deze regels tot het resultaat leiden dat hij onder het werken voor ogen heeft, hebben tot gevolg dat de amateur-schilder al gauw in een zekere routine verzeild raakt. Deze routine nu mist men altijd bij de naïeve schilder. Immers, deze schilder, zoals gezegd, steunt onder het werk niet op kennis en inzicht. Hij kan onder het werk dus niet uitgaan van regels' maar wordt uitsluitend en alleen gedreven door de intensiteit waarmee hij de zichtbare werkelijkheid beleeft.

Dit verschijnsel nu van de eigen kracht waarop de naïeve schilder drijft en het feit dat hij niet werkt vanuit overgeleverde, gegeven en voor de hand liggende oplossingen, maar vanuit steeds nieuwe conflicten met het onderwerp, maken dat er in de schilderijen van de naïeve schilder die spanningen voorkomen die men mist in het werk van de amateur-schilder. Dit maakt tevens dat de naïeve schilder juist door het feit dat zijn werk ontstaat vanuit steeds nieuwe sensaties en conflicten - tot een veel kleinere productie in staat is. Daar staat echter tegenover dat hij - wederom in tegenstelling tot de amateur-schilder vanuit zijn gebrek aan vaardigheden zijn eigen grenzen niet kent, de grens van zijn technische mogelijkheden gauw zal overschrijden, om vervolgens onderwerpen aan te pakken die, ver buiten zijn technisch vermogen liggen. Deze overschrijding van eigen grenzen en de verbetenheid waarmee de problemen die dan ontstaan tot een oplossing worden gebracht, vormen één van de meest opvallende kenmerken van de naïeve schilderkunst. De geïsoleerde ervaringswereld van de naïeve schilder, ten slotte, zijn afzijdigheid van het collectieve streven in het kamp van de professionele kunst, waarvan de amateur-schilder zich deelgenoot voelt, bovendien zijn gebrek aan belangstelling voor de historische ontwikkeling van de beeldende kunst, zijn minimale algemene ontwikkeling, plaatsen de ' naïeve schilder volledig buiten het gebied van deamateuristischekunstbeoefening. , Daarbij komt dat de naïeve schilder in tegenstelling tot de amateur-schilder wederom vanuit de afwezigheid van een intellectualistische benaderingswijze -, voor zijn prestaties geen maatstaven aanlegt die aan de professionele kunst zijn ontleend. Met andere woorden, navolging van de professionele kunst, die de activiteiten van de amateur-schilder kenmerkt - of dit nu overname betekent van een traditioneel academisme of imitatie inhoudt van heersende stromingen is de naïeve schildervreemd.

Dit brengt ons, tot slot, op de eigen plaatsen die de naïeve schilder op het terrein van de beeldende kunst in neemt ten opzichte van de professionele kunstenaar.

Voor beiden ligt het beginpunt van de creativiteit in de gedrevenheid om met beeldende middelen uitdrukking te geven aan een eigen relatie met de zichtbare werkelijkheid. Waar deze relatie met de werkelijkheid bij de professionele schilder emotioneel van aard is, daar houdt de werkelijkheidsbeleving van de naïeve schilder vaak uitsluitend objectieve en koele observatie in. Waar bovendien bij de professionele kunstenaar de verwezenlijking van zijn relatie met de werkelijkheid in beeldende middelen gericht is op communicatie, daar ontbreekt bij de naïeve schilder de behoefte aan overdracht van persoonlijke belevenissen.

De verschijningsvormen zijn voor de naïeve schilder geen middel tot associaties van inhoudelijke aard, maar zijn doel op zichzelf. Het werk van de naïeve schilder is dan ook altijd tegelijk anekdotisch en beschrijvend van aard, zonder de dubbele bodem die deze combinatie in het neorealisme veroorzaakt en zonder de paradoxale situatie die het samengaan van deze elementen in het surrealisme teweegbrengt zich ten opzichte van de natuur kan veroorloven vanuit zijn persoonlijke betrokkenheid bij wat hij waarneemt, kent de naïeve schilder niet.

Toch zijn het juist de tegenstrijdige situaties in de voorstellingen, de a-perspectivische ordening der onderdelen en de autonome functie van de kleur, - kortom juist alle effecten die ons uit de professionele kunst van deze tijd bekend zijn, die ten grondslag liggen aan onze belangstelling voor de naïeve kunst. Het is immers een bekend verschijnsel dat uitsluitend beschouwers die met de moderne kunst vertrouwd zijn, verwantschap hebben met de naïeve kunst.

Toch zijn de afwijkingen ten opzichte van de zichtbare werkelijkheid in het werk van de naïeve schilder géén vrijheden i n de zin van de deformaties die wij uit de moderne kunst kennen. Ze zijn niet het resultaat van een expressionistische en op communicatie gerichte wijze van voorstellen en behoren dan ook niet tot het systeem van afkortingen, vereenvoudigingen en stileringen waarvan de 20e- eeuwse kunstenaar zich bedient. Hun eigen betekenis ontlenen deze afwijken- de beelden daarentegen -en hiermee komen we aan het essentiële verschil met de pro- fessionele kunst van onze eigen tijd en tevens aan het wezen van de naïeve kunst - aan het feit dat ze door de naïeve schilder niet als stileringen of deformaties van de werkelijkheid bedoeld zijn, maar integendeel als equivalenten gelden van de verschijningsvormen in de werkelijkheid, waaraan ze werden ontleend.

Voor de naïeve schilder bestaat namelijk geen verschil tussen zijn werkelijkheidsweergave en de werkelijkheid zoals hij deze beleeft. Voor hem zijn de verschijningsvormen in zijn schilderijen een exacte en natuurgetrouwe weergave van de natuur. Zij die de naïeve schilder over zijn werk heb- ben horen praten weten dat zijn enige onzekerheid neerkomt op de twijfel of hij de dingen wel heeft voorgesteld zoals ze in werkelijkheid zijn. Hij legt zich in deze behoefte aan natuur- getrouwheid dezelfde discipline op als de meest traditionele schilder in het academische kamp.

Dat het resultaat voor ons gevoel van een ge- heel andere orde is, doet niets af aan het feit dat de naïeve schilder zelf de overtuiging heeft alle regels van een exacte voorstellingswijze te hebben nageleefd. De eigen dramatiek die wij in de naïeve schilderkunst ervaren heeft te maken met de ontroerende situatie die erin opgesloten ligt, dat, ondanks de volledige inzet van de schilder om tot een maximale natuurgetrouwheid te komen de slagboom naar wat in intellectualistische zin natuurgetrouw heet, voortdurend gesloten is gebleven zonder dat de naïeve schilder zich dit bewust is.

Dr.L. Gans. Albert Dorne Stichting Amsterdam
Rousseau  1844-1910  "De Droom"
Vivian Ellis "Hey Mister Gimme a Ride
Nel Appels
Bakkum
Willem Westbroek